Tags

, , ,

Drie weken geleden kreeg ik een leuk verzoek. Omroep Noos vroeg of ik voor het radioprogramma Verhalen voor de nacht wilde voorlezen uit eigen werk. Ik was gelijk enthousiast, totdat ik hoorde dat het thema van de uitzending ‘muziek’ was. Ik begon te twijfelen. Hoe schrijf je een kort verhaal met het thema muziek? Muziek is schoonheid: het ontroert, geeft rust en biedt troost. Elk goed verhaal heeft een conflict. Hoe rijm je dan de schoonheid van muziek met een conflict van een personage? Er zijn twee antwoorden mogelijk: het personage heeft een conflict met betrekking tot de muziek (b.v. de heavy metal muziek van een puberzoon) óf smokkelen door het verhaal zich te laten afspelen tegen de achtergrond van muziek. Ik koos voor de tweede optie.
Ik had op de planken nog een verhaal liggen: mijn verhaal Gevoelloos dat in 2014 (onder pseudoniem) in een verhalenbundel verscheen. Voor de radio-uitzending bewerkte ik dat verhaal drastisch. Zo versterkte ik de rol van muziek, waarop ook andere wijzigingen volgden om de samenhang in het verhaal te behouden.

Over een week of vier wordt mijn voordracht van Gevoelloos uitgezonden. Voor wie niet zolang wil wachten of liever een verhaal leest; staat hieronder mijn korte verhaal als bijdrage voor Verhalen voor de nacht.

lijn vogels

Gevoelloos

‘Kom je niet te laat thuis?’ vroeg Paul.
Ik knikte en zei nauwelijks hoorbaar: ‘jaa-a’. Nooit verzuimde hij me te begeleiden naar de voordeur en gedag te zeggen met die ene zin. Altijd weer diezelfde zin en altijd weer diezelfde oppervlakkige emotie. God, wat verlangde ik naar de tijd waarin ik met hem lachte totdat mijn buik zeer deed, met hem kletste over onbenullige zaken, met hem vree voor de open haard. Waarom bleef ik toch geloven, hopen op de Paul die niet veeleisend was, zoals vóór ons ja-woord?
‘Vergeet je niet iets?’
Ik liep terug naar de deuropening en gaf Paul een kus op zijn wang. Ik draaide me om en zei wat hij van mij verwachtte: ‘Ik bel je zodra ik bij Minke ben, okay?’
‘Rijd voorzichtig!’ riep hij me na.

Mijn ruitenwissers stonden voluit en Stuck on you  galmde uit de geluidsboxen. Ik luisterde graag naar Lionel Richie, maar ik had een hekel aan dat nummer. Het bracht herinneringen naar boven van mijn huwelijksreis. Tijdens die reis verbood Paul me –totaal onverwachts- met mijn bandleden op een survivaltocht in de Ardennen te gaan. Sindsdien speelde mijn survival zich af tussen vier muren. Veilige muren, waarbinnen geen kano kon omslaan of een kabel over kabbelend water kon breken. Laat staan waar ik onbekende mannen kon ontmoeten.
Uit mijn mobiel klonk luid een kwetterend musje. Op het scherm stond ‘Paul’ en ik zette de radio zachter.
‘Tan, met mij.’
‘Ik ben nog onderweg, hoor.’
‘Weet ik. Ik belde alleen om te zeggen dat de regen hier met bakken uit de lucht valt. Daar ook?’
‘Ja.’
‘Laat je je mobiel aanstaan?’
‘Uiteraard.’
‘Tot later dan. Maak je het niet te laat?’
Ik hing op en irritatie borrelde op. Waarom prikte niemand door het aimabele, charmante masker van Paul heen? Zelfs mijn moeder vroeg niet waarom ik geen strakke shirts meer droeg. Nee, ze zei: ‘Je hebt het écht getroffen. Een top advocaat trouwt niet zomaar een achtergrondzangeres, dat moet wel echte liefde zijn.’ Ik zuchtte. Verdorie, ik was bijna dertig en moest me niet meer afvragen wie ik was en wat ik wilde. Ik moest niet bang zijn dat Paul me op een dag verbood op te treden met mijn band.
Mijn voorruit besloeg. Ik zette de blower een standje hoger. Mijn zicht op de slecht verlichte en kleddernatte landweg werd er niet veel beter op. Ik klemde mijn handen om het stuur en hield mijn blik op de lijn langs de modderige berm.
Oranje licht sijpelde door het gordijn van regen. Ik liet mijn snelheid zakken en bij het passeren van elke boom, knipperde het licht feller.
Iemand sprong uit de berm. Op mijn weghelft! Een man. Zijn armen bewogen snel van links naar rechts. Mijn voet schoot naar het rempedaal. Water scheerde langs mijn ruiten. Onder een lantaarnpaal stond ik stil. Mijn hart bonkte in mijn keel en ik keek in de binnenspiegel. De man rende door de plassen naar mijn auto en ik volgde zijn bewegingen totdat hij naast mijn auto stond.
Knokkels tikten tegen mijn ruit. De man, niet veel ouder dan ik, zakte iets door zijn knieën. Regendruppels sijpelden uit zijn halflange haren langs zijn kaaklijn en daalden neer op zijn katoenen jas. Hij lachte vriendelijk. Ik herkende zijn uitstraling. Hij had dezelfde energieke ogen als Terence, mijn eerste liefde die ik in Australië had ontmoet.
Hij klopte nogmaals op mijn ruit, harder nu. Langzaam liet ik het raam iets zakken.
‘Goedenavond, ik heb wat pech,’ zei hij, en hij wees naar een auto die dwars in de berm stond. De achterwielen van de jeep zweefden gevaarlijk boven de sloot.
‘Ben je gewond?’ vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Hooguit wat blauwe plekken, denk ik.’ Maar vooral doorweekt.’ Weer die vriendelijke lach. ‘Het regent nogal…’ Weer die vriendelijke stem.
‘Moet ik een hulpdienst bellen?’
Hij hield zijn mobiel omhoog. Zijn hand trilde. ‘Al gedaan. Maar mag ik misschien even schuilen?’ vroeg hij, wijzend naar mijn passagiersstoel.
Wat moest ik doen? Ik kon toch niet zomaar doorrijden? Hij keek me klappertandend aan en ik stapte uit. Uit mijn kofferbak pakte ik de verhuisdeken die ik nog steeds aan Minke moest teruggeven. Ik had mijn vriendin geholpen bij haar verhuizing van een woonboerderij naar een flatje in de stad. Minke had haar scheiding doorgezet. De ruzies maakten haar futloos en ze snakte naar een leven waarin ze weer met haar band door Nederland kon toeren. Ik had bijna nooit ruzie met Paul, maar ik begreep waarover ze sprak. Even was ik in de verleiding gekomen haar te vertellen over de schijn van mijn perfecte huwelijk.
‘Dank je wel,’ zei de man. Hij sloeg de deken om zijn lijf en stapte in.
Een frisse, zoete geur vulde mijn Mini Cooper. Ik dacht aan de geur van de oceaan, aan mijn reis door Australië met een rugzak en aan de zwoele zomernachten met Terence. Ik snoof de geur van vanille en amber diep op. Waarom deed ik dat? Dit kon niet. Dit mocht niet. ‘Euh… zal ik de verwarming wat hoger zetten?’
Hij knikte en stak zijn hand uit. ‘Dag, ik ben Joris.’
Ik glimlachte en begon aan één stuk te praten over mijn nieuwe geluidsboxen en dat omroep Noos de hele avond nummers van Lionel Richie draaide. Abrupt stopte ik halverwege een zin en keek Joris vragend aan. ‘Is er iets?’
‘Je praat veel. Leuk hoor,’ zei hij lachend, ’maar ik weet nog steeds niet wie ik kan bedanken.’
Alsof hij iedere dag in mijn auto zat, knipte hij het lampje aan en staarde me met zijn felblauwe ogen aan. Zijn ogen weerspiegelden iets van lef, van avontuur. Maar ook sereniteit, zo kalm als hij naast me zat na zijn ongeval en hoe hij deze ongemakkelijke situatie met gemak omzette in een vertrouwde sfeer. Ik gaf hem een hand. ‘Oh, sorry, ik ben Tanja.’
‘Sorry is niet nodig. Ik begrijp het. Je zit op een godverlaten weg met een volstrekt vreemde man in je auto.’
We zwegen en luisterden naar Lionel Richie. Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar zijn handen. Hij droeg een zilverkleurige ring. Was het een relikwie, een trouwring misschien? Ik voelde een sensatie die ik herkende van lang geleden, één die niet meer kon, niet meer mocht.
Zonder aankondiging van de DJ klonk de intro van een nieuw nummer. Lionel zong de treffende woorden: Hello is it me you’re are looking for? Treffend? Wat een onzin! Wat bezielde me toch? Alsof ik zomaar in vuur en vlam zou staan voor een wildvreemde kerel die als een verzopen kat in mijn auto zat. Vanille en amber streelden mijn neus.
‘Tanja?’
Ik draaide snel mijn hoofd naar Joris en keek in zijn ogen.
‘Ik denk niet dat je rookt en zeker niet in je auto,’ zei hij, ‘maar vind je het goed als ik er een opsteek?’
Alleen als ik bij Minke was, rookte ik. Meestal maar één sigaret, voor de gezelligheid. Paul zou razend zijn, als hij het wist. Niet omdat roken mijn zangstem verpestte, maar lurken aan een sigaret –zoals hij dat noemde- paste niet in zijn kringen. ‘Ik rook ook!’ riep ik iets te enthousiast. ‘Heb jij sigaretten bij je?’
Hij boog voorover en trok uit zijn cowboylaars een pakje Marlboro. Uit het half gevulde pakje haalde hij een aansteker en ontbrandde een sigaret met een flair waardoor ik spontaan het hele pakje hier en nu met hem wilde oproken. Hij opende het raam en knipoogde. ‘Voor de as en rook,’ zei hij.
Ik pakte het pakje uit zijn hand en stak ook een sigaret op. De aansteker trilde in mijn hand.
‘Ben je wel eens in Australië geweest?’ vroeg hij, en blies kringen van rook uit het raam.
‘Ja, als backpacker, ik was 19.’
‘Ik woon er, op een ranch,’ zei hij. ‘Ik ben hier nu op familiebezoek én om te ervaren waarom ik Nederland niet mis. Hij wees naar de druppels die langs de voorruit gleden. ’Vreselijk klimaat…’
‘You’re all I ever wanted and my arms are open wide…’  klonk uit de radio. Lionel kende mijn situatie. Tell me how to win your hart… Een siddering trok door mijn lijf. ‘Zou het nog stoppen met regenen, denk je?’
Hij gooide zijn sigaret uit het raam en draaide zich naar me toe. ‘Zou je dat willen?’
‘O, ik bedoel niet… Ik bedoel…’, zonder na te denken, legde ik mijn hand op zijn knie, ‘je kunt blij-’ Mijn mobiel kwetterde en zonder op het scherm te kijken, zette ik hem uit. ‘Ik bedoel dat je hier mag blijven totdat je auto wordt weggesleept.’
Hij keek recht in mijn ogen. ‘Dat is lief van je.’
Ik wilde iets zeggen. Ratelen. Wegkijken. Maar zijn blik was intens; de wereld mocht voor mij nu zo klein zijn als mijn auto. Ik drukte mijn sigaret uit in de asbak en knoopte mijn sjaal losser. Mijn oorbel bleef haken in de wollen stof.
‘Laat me je helpen,’ zei hij. Hij ontwarde mijn oorbel en zijn hand rustte op mijn wang. We keken elkaar aan, in stilte. ‘Hij is los,’ zei hij. ‘Je oorbel.’
Zijn stem was zacht en de warmte van zijn hand gloeide op mijn gezicht. ‘I can see it in your eyes. I can see it in your smile,’ zong Lionel.
‘Tanja, ik zit niet elke avond met een vrouw in een auto te schuilen voor Hollandse regen, maar… voor jou zou ik er voor terugkomen.’
‘Ik denk dat mevrouw Joris in Australië dat niet zo’n goed idee vindt,’ zei ik.
‘Mevrouw Joris bestaat nog niet, maar er is wel een meneer Tanja, of niet?’ Hij wees naar mijn ringvinger.
Ik dekte mijn hand af en wilde zeggen dat het slechts een ring was, gewoon een sieraad, familiestuk, oud, of gewonnen op de kermis desnoods, maar het was zéker geen trouwring! ‘Paul,’ bekende ik. ‘Mijn man heet Paul.’
‘Sorry, Tanja, ik liet me te veel gaan, maar geloof me als ik zeg dat dit heel vreemd is.’
‘Wat is vreemd?’
‘Ik heb me nog nooit zo tot een vrouw aangetrokken gevoeld. Zo snel.’
Ik knikte. ‘Ik denk dat ik je begrijp.’
Hij legde zijn vinger onder mijn kin. ‘Ben je gelukkig?’
Ik zweeg, wilde zeggen dat dat een brutale vraag was en hem daarna toeschreeuwen dat ik niet gelukkig was. Ik miste zoveel, zou ik tegen hem willen zeggen, tegen mijn vreemde passagier. Ik vond het vreselijk dat Paul elke minuut van de dag op mijn huid zat. Iedere dag bedacht ik een ander plan om van hem, van het geknevelde leven los te komen. Ik wilde onbezonnen dronken worden, gillend onder een parachute hangen, of spontaan met Minke een hotelletje over een grens pakken; ver weg! Ik lachte naar Joris. ‘Heb jij weleens in plassen gesprongen, totdat je zeiknat wordt?’ vroeg ik.
‘Nee. Hoezo?’
‘Dat wil ik nu het liefste doen. Ik gooide het portier open en strekte mijn armen naar de lucht. Het regenwater kletterde op me neer. ‘Kom, Joris!’
Hij drukte op de claxon en riep: ‘Niet doen, joh! Kom terug.’
‘Kom, nou!’ schreeuwde ik. ‘Wat heb je te verliezen!’
Hij gooide de verhuisdeken van zich af en stapte uit mijn auto. Zigzaggend om de plassen rende hij naar me toe. Hij pakte mijn handen en trok me terug naar de auto. ‘Je wordt door en door nat,’ zei hij.
Ik sprong met twee voeten in een diepe plas, zo hard als ik kon. Water spetterde tegen onze heupen. Hij glimlachte hoofdschuddend en legde zijn hand op mijn schouder. ‘Je bent een té gek wijf,’ zei hij.
Felle lichten kwamen op ons af. We keken elkaar aan. ‘Het is tijd, Tanja.’
Ik knikte. ‘Ik weet het.’
‘Andere tijd, andere plaats?’
‘Ja, zeker.’
Hij trok een pruillip. ‘Nou dag, spetterende spetter. Je was mijn kortste romance ooit.’
De alarmlichten van de sleepauto knipperden. Een portier werd geopend. ‘Jij zeker ook die van mij,’ zei ik.
Hij lachte. ‘Dag, mooie Tanja. Bedankt!’ Hij draaide zich langzaam om en keek over zijn schouder.
‘Wel thuis!’ riep ik.
Hij knikte en zwaaide.
Met mijn hand op het portier hoorde ik hem roepen: ‘Tanja… blijf dat té gekke wijf!’
‘Ja,’ lispelde ik en onderdrukte het verlangen hem terug in mijn auto te sleuren.
Lionel was nog steeds op de radio en zong wat ik dacht: I call it love.
Ik zette mijn mobiel weer aan. Zeven gemiste oproepen van Paul. Ik zag zijn afkeurende blik al voor me wanneer ik doorweekt voor hem zou staan. Zijn veroordelende vragen kon ik uitspellen. Mijn antwoorden zouden nooit sluitend zijn. Misschien had Minke wel gelijk: een slecht huwelijk is een gevangenis die steeds verder verdicht.
In mijn binnenspiegel keek ik naar de sleepauto. ‘Wat heb je te verliezen’ schoot door mijn gedachten. Ik draaide de contactsleutel om en reed met een gang achteruit. Naast de sleepauto stopte ik. Joris zat op de bijrijdersstoel en staarde voor zich uit. Ik opende mijn raam en drukte op de claxon. ‘Hé, cowboy! Enkeltje nowhere?’
Hij lachte en stak zijn duim op. Plotseling keek hij verschrikt op en bonkte met zijn vuisten tegen het raam.
Ik keek hem vragend, hoofdschuddend, aan. Hij schreeuwde, zijn vuisten bonkten sneller. Hij gooide de cabinedeur open. ‘Ga van de weg af!’
Ik keek over mijn schouder en twee koplampen kwamen recht op me af. Ik drukte het gaspedaal in en gilde boven Lionel uit.

Ik opende mijn ogen. ‘Waar… waar ben ik? Joris?’
‘Nee, Tan. Ik ben het. Je bent in het ziekenhuis.’
‘Paul?’
‘Wie anders? Je hebt acht dagen in coma gelegen. Ik ben geen minuut van je bed geweken.’
‘Paul!’ Ik wilde schreeuwen maar er kwam bijna geen geluid uit mijn keel.
‘Wat is er, Tan?’
‘Ik voel mijn benen niet meer…’
‘Ik weet het, maar ik zal goed voor je zorgen. Elke dag.’

 

Joanne Dohle

­